Betaal je belasting over spaargeld of beleggingen? Dan vraag je je misschien af welke box 3 regels nu gelden en wat er de komende jaren verandert. Dat is niet zo gek, want de regels zijn de afgelopen jaren meerdere keren aangepast en ook voor de toekomst liggen er nieuwe plannen.
Daarom zetten we de belangrijkste ontwikkelingen van 2026 tot en met 2028 overzichtelijk voor je op een rij.

Deze tijdslijn laat de belangrijkste verschillen zien tussen het huidige box 3-stelsel en het geplande nieuwe stelsel. Daaronder lichten we iedere fase verder toe.
2026: Zo werkt box 3 nu
In 2026 geldt het huidige box 3 stelsel. Heb je op 1 januari meer vermogen dan het heffingsvrije vermogen? Dan betaal je mogelijk box 3 belasting.
Het heffingsvrije vermogen bedraagt in 2026:
- € 59.357 per persoon
- € 118.714 voor fiscale partners
De Belastingdienst kijkt daarbij niet naar het rendement dat je daadwerkelijk hebt behaald. In plaats daarvan rekent zij met een forfaitair (verondersteld) rendement: een percentage waarvan wordt aangenomen dat je het met je vermogen hebt verdiend. Voor spaargeld geldt een ander percentage dan voor beleggingen.
Heb je in werkelijkheid minder rendement behaald dan waarmee de Belastingdienst rekent? Dan kun je onder voorwaarden gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Als je daarvoor in aanmerking komt, betaal je mogelijk minder box 3 belasting.
2027: Een overgangsjaar
Voor de meeste mensen verandert er in 2027 nog weinig. Het huidige box 3 stelsel blijft gelden. Dat betekent dat de Belastingdienst nog steeds rekent met een forfaitair (verondersteld) rendement en dat de tegenbewijsregeling blijft bestaan.
Tegelijkertijd is 2027 een belangrijk overgangsjaar. Achter de schermen wordt gewerkt aan de invoering van het nieuwe box 3 stelsel. Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Eerste Kamer. Als het wordt aangenomen, kan het nieuwe stelsel vanaf 1 januari 2028 ingaan.
Ook de bedragen binnen het huidige stelsel, zoals het heffingsvrije vermogen en de forfaitaire rendementen, kunnen voor 2027 nog wijzigen. Deze worden jaarlijks vastgesteld.
2028 (gepland): nieuw box 3 stelsel
Het kabinet wil box 3 vanaf 2028 ingrijpend wijzigen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, betaal je niet langer belasting over een forfaitair (verondersteld) rendement, maar over het rendement dat je daadwerkelijk behaalt. Ook veranderen de regels voor onder meer beleggingen, een tweede woning, aftrekbare kosten en verliesverrekening.
Stand van zaken - laatste update
Het nieuwe box 3 stelsel is nog niet definitief. Op 30 juni 2026 werd de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer uitgesteld. Er wordt gewerkt aan een aangepaste versie van de wet (een novelle), daarna neemt de Eerste Kamer een definitief besluit. De beoogde ingangsdatum blijft 1 januari 2028. Tot die tijd geldt het huidige box 3 stelsel.
In dit artikel gaan we uit van het wetsvoorstel zoals dat nu bekend is.
De belangrijkste veranderingen in één oogopslag
Als het nieuwe box 3 stelsel wordt ingevoerd, verandert onder meer het volgende:
- Je betaalt belasting over het werkelijke rendement, zoals spaarrente, dividend en de waardeontwikkeling van veel beleggingen.
- Voor een tweede woning en aandelen in startups en scale-ups betaal je pas belasting wanneer je verkoopt.
- Het huidige heffingsvrije vermogen maakt plaats voor een jaarlijkse vrijstelling van € 1.800 aan rendement (€ 3.600 voor fiscale partners).
- Bepaalde kosten worden aftrekbaar, zoals transactiekosten, rente over box 3 schulden en bankkosten die direct samenhangen met box 3 bezittingen.
- Verliezen kunnen onder voorwaarden worden verrekend met toekomstige positieve rendementen.
- De huidige tegenbewijsregeling verdwijnt.
Waarom komt er een nieuw box 3-stelsel?
Het huidige box 3-stelsel gaat uit van een forfaitair rendement. Dat is een rendement waarvan de overheid veronderstelt dat je dit met je vermogen behaalt. Daarbij wordt dus niet gekeken naar het rendement dat je daadwerkelijk hebt verdiend.
In de praktijk leidde dat regelmatig tot discussie. Sommige mensen betaalden belasting over een rendement dat zij niet hadden behaald. Daarom wil het kabinet overstappen naar een systeem dat volgens hen beter aansluit bij de werkelijke opbrengst van vermogen.
Van forfaitair naar werkelijk rendement
De grootste verandering zit dus in de manier waarop box 3 belasting wordt berekend. Vanaf 2028 wil het kabinet uitgaan van het rendement dat je daadwerkelijk behaalt.
Daaronder vallen bijvoorbeeld:
- spaarrente
- dividend
- huurinkomsten
- de waardeontwikkeling van veel beleggingen
Niet alle bezittingen worden hetzelfde belast
Hoewel het nieuwe box 3 stelsel uitgaat van werkelijk rendement, geldt niet voor alle bezittingen dezelfde manier van belasting heffen. Voor veel beleggingen telt de jaarlijkse waardeontwikkeling mee. Dit heet vermogensaanwasbelasting. Daarbij betaal je belasting over de waardestijging van je beleggingen, ook als je deze nog niet hebt verkocht.
Voor sommige bezittingen kiest het kabinet juist voor vermogenswinstbelasting. Daarbij betaal je pas belasting wanneer je daadwerkelijk verkoopt en winst realiseert.
Dat geldt onder andere voor:
- een tweede woning
- een verhuurde woning
- een schuur of terrein
- aandelen in startups en scale-ups.
De gedachte hierachter is eenvoudig: je hoeft niet alvast belasting te betalen over een waardestijging waar je nog geen geld voor hebt ontvangen.
Goed om te weten: de eigen woning blijft gewoon in box 1 en valt dus niet onder deze regels.
Van heffingsvrij vermogen naar een vrijstelling van € 1.800
Ook de vrijstelling verandert. Vanaf 2028 wil het kabinet overstappen naar een vrijstelling over het rendement. De eerste € 1.800 aan rendement blijft dan belastingvrij. Voor fiscale partners wordt dat € 3.600. Pas over het rendement boven deze vrijstelling betaal je belasting.
Praktijkvoorbeeld
Behaal je in een jaar € 1.500 rendement? Dan betaal je daar geen box 3 belasting over. Behaal je € 3.000 rendement? Dan betaal je alleen belasting over het deel boven de vrijstelling.
Niet alleen opbrengsten tellen mee
Ook bepaalde kosten worden aftrekbaar en verliezen kunnen onder voorwaarden worden verrekend. Daarmee verandert niet alleen de manier waarop het rendement wordt belast, maar ook welke onderdelen worden meegenomen bij de belastingberekening.
Bepaalde kosten worden aftrekbaar
Een verschil met het huidige stelsel is dat je bepaalde kosten mag aftrekken van het rendement. Het gaat bijvoorbeeld om:
- transactiekosten bij de aan- en verkoop van beleggingen;
- betaalde rente over box 3 schulden;
- bankkosten die direct samenhangen met box 3-bezittingen.
Praktijkvoorbeeld
Stel, je verkoopt een deel van je beleggingen en betaalt daarvoor € 150 aan transactiekosten. In het voorgestelde stelsel kunnen deze kosten onder voorwaarden worden meegenomen bij de berekening van je belastbare rendement.
Ook verliezen krijgen een plek in het nieuwe box 3 stelsel
Maak je in een jaar verlies op je beleggingen? Dan kun je dat verlies onder voorwaarden verrekenen met positieve rendementen uit een later jaar.
Praktijkvoorbeeld
Stel, je maakt in 2028 € 4.000 verlies op je beleggingen. Een jaar later behaal je € 7.000 rendement. Onder voorwaarden kan het verlies uit 2028 worden verrekend met het positieve rendement uit 2029.
Wat betekent dit voor spaarders en beleggers?
Hoe groot de veranderingen zijn, hangt af van de samenstelling van je vermogen. Voor spaarders kunnen de gevolgen anders zijn dan voor mensen die vooral beleggen of een tweede woning bezitten.
De beoogde ingangsdatum blijft 1 januari 2028, maar het wetsvoorstel is nog niet definitief. Daardoor kunnen onderdelen van het nieuwe box 3 stelsel nog wijzigen.
Voor wie meer wil weten over box 3!
Duik verder in de onderwerpen uit onze nieuwsbrief.



